Meerwaardebelasting en familiale vermogensplanning kunnen samen door één deur - Successiehuis

Meerwaardebelasting en familiale vermogensplanning kunnen samen door één deur

22 augustus 2026

Op de website van de FOD Financiën werd op 22 juli 2026 de circulaire 2026/C/74 gepubliceerd. En daarin staat goed nieuws voor wie aan familiale vermogensplanning doet. Sinds 1 januari 2026 zijn gerealiseerde meerwaarden op financiële activa in principe onderworpen aan een meerwaardebelasting van 10% (art. 90, eerste lid, 9°, c en art. 171, 2°, e WIB).

Gelukkig voorziet de wet in een aantal belangrijke uitzonderingen.

Uit onverdeeldheid treden na een overlijden

Stel dat u samen met uw broers of zussen financiële activa erft van uw ouders. Vervolgens beslissen jullie om de onverdeeldheid te beëindigen en de activa onder elkaar te verdelen. In principe kan zo’n verrichting aanleiding geven tot een belastbare meerwaarde. Maar wanneer de verdeling gebeurt binnen drie jaar na het overlijden van de erflater, is er geen meerwaardebelasting verschuldigd.

Een gelijkaardige uitzondering geldt bij een verdeling naar aanleiding van een echtscheiding of bij het beëindigen van een wettelijke of feitelijke samenwoning.

Ook goed nieuws voor de maatschap

De circulaire bevat ook een belangrijke bevestiging voor familiale maatschappen. Het inbrengen van financiële activa in een onverdeeldheid of maatschap vormt op zich geen belastbare verwezenlijking, zolang daarbij geen impliciete ruil plaatsvindt.

Een voorbeeld maakt dit duidelijk: broer en zus bezitten samen een onverdeelde  effectenportefeuille met een waarde van €1.000.000. Ze brengen die portefeuille in de maatschap in en krijgen daarvoor elk 50% van de aandelen van de maatschap.

Hun economische verhouding blijft dus exact dezelfde: 50/50 vóór de inbreng en 50/50 erna. Er is dan geen impliciete ruil en bijgevolg ook geen belastbare verwezenlijking.

Eerst schenken, daarna inbrengen

Stel nu dat ouders 100% van de aandelen van een familiale vennootschap bezitten. Ze willen uiteindelijk tot een maatschap komen waarin zij nog 10% aanhouden en hun kinderen samen 90%.

Dan is de volgorde belangrijk.

De ouders kunnen eerst 90% van de aandelen overdragen aan hun kinderen. Daardoor ontstaat een verhouding van 10% voor de ouders en 90% voor de kinderen. Wanneer die aandelen vervolgens in een maatschap worden ingebracht en iedereen daarin dezelfde verhouding behoudt – opnieuw 10% tegenover 90% – vindt geen impliciete ruil plaats.

Ook hier is er dus geen belastbare verwezenlijking.

Hetzelfde principe geldt in omgekeerde richting. Wordt de maatschap later ontbonden en blijven de vennoten nadien in exact dezelfde onderlinge verhouding eigenaar van de financiële activa, dan hoeft ook die ontbinding op zich geen belastbare meerwaarde te veroorzaken.

Maar opgelet bij een latere toetreding

Voorzichtigheid blijft wel geboden. Wanneer later een nieuwe vennoot toetreedt tot de maatschap, kan dat wél een belastbare verwezenlijking veroorzaken.

De structuur en vooral de volgorde van de verrichtingen moeten dus vooraf goed worden bekeken. Goed plannen is belangrijker dan ooit.

Verkoop aan de holding van de kinderen

Tot slot bevat de circulaire nog een bijzonder interessante bevestiging.

Wanneer ouders hun aandelen verkopen aan een holdingvennootschap die in handen is van hun kinderen, wordt dit niet beschouwd als een belastbare “interne meerwaarde” in hoofde van de ouders. De gerealiseerde meerwaarde valt daardoor niet onder de specifieke aanslagvoet van 33% die voor bepaalde interne meerwaarden geldt.

Conclusie

De nieuwe meerwaardebelasting hoeft familiale vermogensplanning dus zeker niet onmogelijk te maken. De sleutel ligt wel in de juiste volgorde en in het behoud van de economische verhoudingen. Dat maakt een vooraf goed uitgedachte vermogensplanning belangrijker dan ooit.

Jan Vanoverbeke

jan.vanoverbeke@successiehuis.be

0460/96.51.20